Voor geen goud

Sanne Burger

24 juni 2023

Er was eens een man die besloot om op avontuur te gaan. Hij werd goudzoeker. Hij trok naar het Noorden om zijn geluk te beproeven. Hij reisde langs de Yukon River en de Bonanza Creek, steeds verder de wildernis in. Waar anderen het opgaven, ging hij door. Na vele ontberingen vond hij goud en werd hij schatrijk. Hij kocht land, liet een enorm kasteel bouwen en prachtige tuinen aanleggen. Hij had aanzien en macht, en werd een graag geziene persoon in het dorp. Kortom, hij had het gemaakt. Hij leefde het goede leven.

Toen hij wat ouder werd, groeide in hem het verlangen om zijn leven meer betekenis te geven. Hij had zelf ontzettend veel geluk gehad, wist hij. Niet alle goudzoekers vonden goud. Hij was rijk, hij hoefde nooit meer te werken, hij kon alles kopen wat hij wilde … zijn eigen leven was compleet, vond hij.
“Ik wil andere mensen helpen”, dacht hij. “Maar hoe? En bovenal, wie?”
Hij woonde in een groot dorp met duizenden inwoners.
“Wie is het waard om door mij geholpen te worden?” vroeg hij zich af.
Hij wilde zijn geld niet verkwanselen. Hij wilde geen paarlen voor de zwijnen gooien. Hij was een goede zakenman en investeerder. Hij was zeker gul, maar hij wilde zijn geld niet investeren in mensen die er niets goeds mee zouden doen.
Hij dacht: “Ik moet een test bedenken waarmee ik kan ontdekken of de mensen het waard zijn om te delen in mijn rijkdom.”
Hij dacht lang en diep na, en besloot uiteindelijk om ze op de proef te stellen.
“Ik moet ze misleiden”, dacht hij. “Dat is de enige manier. Ik wil weten tot hoever ze bereid zijn om te gaan om mijn geld te krijgen. Zijn ze bereid om hun principes overboord te gooien, of niet?”
Hij was zelf een man van principes. Hij keek neer op mensen die geen moraal hadden. Dat had hij op zijn reizen te vaak gezien. Mannen die logen en bedrogen, zichzelf verlaagden om maar dichter bij het goud te komen.
Hij pakte het meteen groots aan. Hij verzamelde de dorpelingen op het dorpsplein en zei: “Mensen, ik heb een boodschap gekregen van de opperheerser van deze wereld, namelijk God zelf! Hij heeft mij aangewezen om deze belangrijke boodschap aan jullie over te brengen. Dit is de boodschap: God wil dat jullie om hem te eren, jullie eerstgeboren zoon offeren.”
Er ging een geroezemoes van verontwaardiging op.
Iemand riep: “Hoe kan God zo wreed zijn?”
Dit deed de rijke man deugd, maar hij was nog niet klaar. Hij pakte een buidel op van paars satijn, hield hem omhoog en toonde hem aan het volk.
“God zal jullie rijkelijk belonen, via mij! Een zak vol goudstukken voor iedere man die zijn eerstgeboren zoon offert. De keus is aan jullie.”
Toen ging hij naar huis, hoopvol gestemd.
“Dit gaat niemand doen”, dacht hij. “Dit gaat te ver.”

De volgende dag werd er bij het krieken van de dag op zijn voordeur geklopt. Hij deed met een zwaar hart open. Minstens 20 mannen hadden zich voor zijn deur verzameld. Ze zagen asgrauw. Elk van hen droeg zijn dode zoon over de schouder. De eerste man legde hem op de grond, aan de voeten van de rijke man. Het was een jongetje van een jaar of 8. De rijke man keek zwijgend op het dode lichaam neer, zonder dat er enige emotie op zijn gezicht af te lezen was.
“Waar is mijn goud?” zei de vader en bleef staan wachten.
De andere mannen volgden, totdat er een stapel dode jongens op de grond lag.
Zwijgend gaf de rijke man ze het geld. Een paarse buidel voor elke man. Niemand durfde hem aan te kijken toen hij ze betaalde. Met gebogen hoofd dropen ze af, de buidel goed verstopt onder hun kleren.
De rijke man hield zich altijd aan zijn zakelijke afspraken, maar die ochtend brak zijn hart. Diepbedroefd begroef hij de dode jongens. Dat was wel het minste wat hij kon doen.
“Hoe heb ik zo naïef kunnen zijn?” dacht hij.
Ergens had hij verwacht dat niemand op zijn gruwelijke voorstel in zou gaan. Door deze teleurstelling was zijn minachting voor de dorpelingen vele malen groter geworden, maar tegelijkertijd voelde hij zich schuldig, want hij was degene die het had voorgesteld.
De moordenaars van hun eigen eerstgeborenen hadden jammerlijk gefaald en waren het zeker niet waard om te delen in zijn rijkdom, was zijn conclusie. Toch zat het hem niet lekker. Hij zat met een moreel dilemma.
Hij dacht: “Ik moet de mensen opvoeden. Ik moet het nog erger maken, zodat ze hun les leren. Maar wat is erger dan het doden van je eerstgeborene?”
Bijna tegen beter weten in, vanuit het diepe verlangen om zijn medeburgers te leren om ‘nee’ te zeggen tegen onrecht en hebzucht, bedacht hij een nieuw plan.
Weer riep hij alle dorpelingen bijeen op het dorpsplein.
“God houdt altijd woord!” riep hij. “Jullie hebben alle eerstgeboren zonen gedood en iedereen is rijkelijk beloond. Nu heeft God echter een andere wens! Hij wil dat iedere maagd die trouwt zich in de huwelijksnacht eerst aan Hem geeft. Daarna mag ze terug naar haar echtgenoot en zich voor de rest van haar leven met hem verenigen. God heeft mij uitgekozen om deze heilige daad te verrichten! En uiteraard zal God de echtgenoot rijkelijk belonen, met een buidel goudstukken die hij van mij zal ontvangen.”
Hij wist dat hij zich op glad ijs begaf, maar het was zijn laatste poging om het moreel van de dorpelingen te testen en misschien zelfs te verbeteren. Weer ging een geroezemoes van verontwaardiging op onder het volk.
“Wat een monsterachtige God!” waagde iemand te roepen.
Dat deed de rijke man opnieuw deugd. Hij hoopte met heel zijn hart dat het volk ‘Nee!’ zou roepen en dat ze de daad bij het woord zouden voegen. Ja, het zou beter zijn als ze hem in woede zouden lynchen, dan dat ze akkoord zouden gaan met dit ontwrichtende, wrede voorstel.
“Als ze hierop ingaan, dan weten ze niet wat liefde is”, dacht hij.
“Dan zijn ze bereid om werkelijk alles wat ze lief is kapot te maken uit hebzucht. Als ze hierop ingaan, dan kent mijn minachting geen grenzen en zal ik met niemand, maar dan ook niemand, ooit mijn rijkdom delen.”
Het bevreemdde hem dat het zelfs in niemand opgekomen was om aan zijn woorden te twijfelen – tenminste, niet hardop. Blijkbaar had hij louter dankzij zijn rijkdom zoveel autoriteit en macht vergaard dat de dorpelingen hem blind vertrouwden, al zei hij bespottelijke dingen en eiste hij gruwelijke daden, in de naam van God.
De menigte ging morrend uiteen en ook onze rijkaard ging naar huis. Eenmaal thuis ging hij in zijn stoel in de donkere woonkamer zitten. Hij voelde zich vreemd. Enerzijds was hij hoopvol, anderzijds wond zijn bizarre idee hem op. Dat verontrustte hem. Op de een of andere manier kwam de slechtheid ook in hemzelf naar boven.
“Zouden ze het doen?” vroeg hij zich af. “Zouden ze bereid zijn hun liefde op zo’n walgelijke manier op te offeren? Zouden ze bereid zijn om hun vrouw door een ander te laten ontmaagden?”

Die avond was er een bruiloft. Er werd wild gefeest, ondanks het feit dat de meeste families nog rouwden om het verlies van hun eerstgeboren zoon – of misschien was het wel daardoor. Er werd gedanst op het dorpsplein en er werd veel gedronken, meer dan normaal. Mensen wilden vergeten wat er gebeurd was en wat er misschien nog ging gebeuren.
Een dreigende stemming hing als een donkere wolk boven het feestgedruis. Iedereen had gehoord wat de rijke man had gezegd. Wat zou er die nacht gaan gebeuren? Iedereen vroeg het zich af, maar niemand zei wat.
Het feest was eerder afgelopen dan normaal. Mensen gingen naar huis, deden de deur op slot en sloten de gordijnen. Ze wilden er niks mee te maken hebben.
Uiteraard was de rijke man niet naar de bruiloft gegaan. Hij hoopte vanuit het diepst van zijn hart dat er die avond niemand zou aanbellen. Dat zou zijn vertrouwen in de mensheid herstellen. Dit was immers allemaal begonnen als een test. Hij wilde testen of zijn medemens het waard was om door hem geholpen te worden. Hij wilde testen hoe nobel zijn medemens was. Nou, tot nog toe had hij daar weinig van gezien, maar misschien … vannacht. Als het stil zou blijven, dan zou alles toch nog goed komen. Het was toch sowieso absurd dat het er nu op leek dat hij juist de slechteriken beloonde. Dat was nooit de bedoeling geweest.
Plotseling werd hij opgeschrikt uit zijn overpeinzingen. Hij hoorde opnieuw hoe iemand op zijn voordeur klopte. Zijn hart sloeg over. Hij wist wie het waren, maar iets in hem wilde het nog niet geloven. Hij liep naar de deur en deed hem langzaam open.
Voor de deur stond, jawel, het echtpaar dat die middag getrouwd was. De vrouw had een behuild gezicht en een rode plek op haar wang. Haar man had haar geslagen, dat was duidelijk.
“Ik kom mijn vrouw brengen”, zei de man bars.
De rijke man wierp een blik op de bruid. Het was een prachtige, jonge vrouw. Ze was bang en keek hem met een gepijnigde blik aan. De rijke man voelde een steek in zijn hart en in een impuls vroeg hij: “Ze is toch nog wel maagd, hè?”
“Maar natuurlijk”, zei de man beledigd. “Wij zijn nette mensen.”
Tot op dat moment had de rijke man gehoopt dat het nieuwbakken bruidspaar zich zou bedenken, zich zou omdraaien en vertrekken. Of nog liever, dat de echtgenoot hem zou aanvallen om zijn vrouw te verdedigen. Nu drong ineens het pijnlijke besef tot hem door dat dit alles niet ging gebeuren.
Deze mensen waren tot alles in staat, besefte hij. Op dat moment was zijn minachting compleet. Zijn kaken verhardden en zijn ogen vernauwden zich. Hij greep de vrouw bij haar arm en trok haar hardhandig naar binnen.
“Morgen krijg je je vrouw en je geld”, zei hij met ijskoude stem. “Ik moet eerst nog zien of ze maagd is.”
De man knikte stom en vertrok.
Wat er daarna gebeurde, begreep de rijke man zelf niet. Er kwam een oerdrift in hem boven die hij nog nooit eerder had gevoeld. Hij had nooit gedacht dat hij het zou doen, maar hij deed het. Hij trok de kleren van de vrouw af, gooide haar op de grond en verkrachtte haar. Ze bloedde, dus ze was inderdaad nog maagd. Ze huilde, ze had pijn, maar dat alles wond hem alleen maar meer op. In plaats van dat hij de teleurstelling en het verdriet toeliet over de immoraliteit van zijn medeburgers, stortte hij zich in een frenzy van dierlijke, destructieve lust, in een poging om zijn razende gedachten te stoppen.
Waarom was de vrouw meegegaan? Waarom had ze niet tegengestribbeld? Waarom had ze niet geweigerd? Waarom had ze niet gevochten? Was één klap in het gezicht genoeg om akkoord te gaan met zich te laten verkrachten op haar huwelijksnacht? Wat was dit voor slet? En waarom had haar man haar niet verdedigd? Waarom had hij niet gevochten? Was het niet beter om je dood te vechten dan om je vrouw zoiets aan te laten doen?
“Nee”, dacht hij. “Voor hun niet. Het waren allemaal volgzame slaven.”
Hij voelde hoe hij steeds bozer werd, en zijn woede voedde zijn opwinding, die hij botvierde op het willoze slachtoffer onder hem, die het gelaten onderging. Misschien dacht ze wel aan de goudstukken die ze zouden krijgen. Zijn minachting voor haar was zo overweldigend dat hij zich niet eens meer schuldig voelde over de verkrachting.
Ergens vond hij dat ze het verdiend had, en haar man ook. Als ze zo volgzaam waren, als ze zonder meer bereid waren om hun normen en waarden te offeren aan de instructies van een onzichtbare god, met als beloning een zak goud, dan kon je toch alles met ze doen wat je wilde?
Toen hij klaar was met de vrouw trok hij haar ruw overeind en gooide hij haar naakt de oprijlaan op. Haar jurk gooide hij achter haar aan. Toen pakte hij een paarse buidel met goudstukken, hield hem ondersteboven, ving de goudstukken op en gooide ze naar haar toe. Ze vielen rinkelend op de oprijlaan. Huilend begon de vrouw ze op te rapen, terwijl ze haar jurk beschermend voor haar borsten hield, in een poging zich vast te klampen aan het laatste restje waardigheid dat ze nog in zich had.
“Ga naar je man, slet!” riep de rijke man.
Hij ging naar binnen en sloeg de deur dicht. Het interesseerde hem allemaal niet meer. Zijn minachting voor de mensheid was nog nooit groter geweest. De test was mislukt. Zijn grote wens om zijn leven meer betekenis te geven door zijn rijkdom te delen met anderen die het waard waren, was niet uitgekomen. In plaats daarvan had hij zijn medemens gezien in hun meest verwerpelijke vorm: volgzaam, hebzuchtig, zwak en zonder enige moraal.

Hij werd een bittere, cynische man, in de jaren die volgden. Hij sloot zich op in zijn kasteel, de tuinen verwilderden en hij liet de dorpelingen aan hun lot over. In het dorp keerde het leven vrij snel weer terug naar de orde van de dag. De rijke kasteelheer met zijn vreemde boodschappen van God werd snel vergeten, alsmede de kindermoorden en de ontuchtige nacht van de bruid. Dat haar eerstgeborene niet op de vader leek, daar werd ook niet over gepraat.

Sanne Burger
sanneburger.com

8 Reacties

  1. Mark Ligthart

    Hoi Sanne,
    Intrigerend verhaal. Komt er nog een vervolg? Of is de moraal van het verhaal “Oordeel niet opdat u ook beoordeeld zult worden”? Dit komt komt naar boven uit een vaag verleden. Je bent je medemens. En op een bepaalde manier geen haar beter of slechter.

    Antwoord
    • Sanne Burger

      Ik weet niet of er nog een vervolg komt. Denk het wel. Maar de moraal die je eruit haalt vind ik wel mooi. Mijn voornaamste vraag in dit artikel is: wat is daderschap? Waar ligt de verantwoordelijkheid?

      Antwoord
  2. beukenwoud

    De darrenslacht vindt plaats aan het eind van het bijenseizoen (juli/augustus) wanneer de aanvoer van vers stuifmeel stokt[1]. De werkbijen verdrijven dan de darren uit het volk. Voorafgaand aan de darrenslacht wordt er al enige tijd geen darrenbroed meer aangezet.

    Darrenslacht is eigenlijk een onjuiste term want de darren worden zelden daadwerkelijk door de werksters gedood. Eerst worden de darren niet meer gevoerd. Hierdoor verzwakken de darren waarna ze naar de buitenwand van de kast, en vervolgens naar de kastbodem worden gedreven[2]. Uiteindelijk worden de darren door de werkbijen naar buiten gesleept en van de vliegplank afgekieperd. Darren die weer naar binnen willen wordt de toegang ontzegd.

    Antwoord
    • Sanne Burger

      Ik kan de analogie niet helemaal plaatsen.

      Antwoord
    • Gayano

      Nomaden lieten hun ernstig zieken, gewonden en ouden van dagen op doortocht vaak ook achter …
      Medemenselijkheid, naastenliefde, zelfopoffering, enz. zijn mooie principes als je je het als volk kunt permitteren.
      Ook onze blueprint is de survival modus. Kannibalisme, concentratiekampen, slavernij, heksenvervolging: ooit de dagelijkse praktijk,even later 100% onacceptabel…
      Meningen veranderen,onze programmering niet.

      Antwoord
      • Sanne Burger

        Medemenselijkheid en naastenliefde zijn onze blueprint, niet de survival modus.
        Ik ga niet mee in het narratief dat onrecht rechtvaardigt door te zeggen: zo is de mens nou eenmaal.
        Zo is de mens van nature niet. Zo is zij geworden.

        Antwoord
  3. Neyens Benjamin

    Moraal van het verhaal als je het goede in mensen naar boven wilt halen moet je dit zeker niet doen met kwade/ negatieve voorstellen 🙏🏽

    Antwoord
    • Sanne Burger

      Precies!

      Antwoord

Geef een reactie

You might like this too …

Nieuwe artikelen direct in je inbox?

Schrijf je in op mijn mailinglist.

Je krijgt een mailtje waarin je je inschrijving moet bevestigen - gemakkelijk!

 

Gelukt! Je hoeft nu alleen nog maar per mail je inschrijving te bevestigen en dan ontvang je elk nieuw artikel direct in je inbox.