Visie op seks

April 2019

Beste lezer,

Ik schreef dit boek in drie maanden – in 2010 – nadat ik 10 jaar intensief Taotraining beoefend had bij Reinoud Eleveld. Daarvoor had ik jarenlang de teachings gevolgd van Barry Long, Osho en verschillende andere leraren en leraressen. Ik heb me mijn hele leven verdiept in tantra, seksuologie en psychologie, astrologie, sjamanisme, verschillende bewegingsvormen en meditatie.

In dit boek breng ik de ervaringen, kennis en inzichten die ik in 2010 vergaard had bijeen. Het voornaamste kader is de Taotraining, een moderne interpretatie van het complete systeem van zelfgenezing en bewustwording van de Lungmen traditie uit het taoïsme. Tegelijkertijd raakt dit boek universele thema’s, zoals opvoeding, maatschappij, het wezen van de mens, communicatie, trauma, healing, sjamanisme, religie, verslaving, instinct en verlangen.

‘Visie op seks’ is een boek dat je kan helpen om terug te keren naar seksuele onschuld, onbevangenheid en wijsheid. Het helpt je om bewust te worden van mogelijke obstakels op je pad, van het ontwikkelen van onderscheidingsvermogen en van het ontwikkelen van een meer natuurlijke seksualiteit. Wat is daarbij het belangrijkste? Liefde.

Seksuele energie is de bron van alles wat leeft. Het is de brandstof voor je spirituele ontwikkeling. Seks is veel meer dan het bedrijven van de liefde. Uiteindelijk gaat het om het worden van een levenskunstenaar, ofwel het moeiteloos en elegant leren manoeuvreren in deze eindeloze, magische werkelijkheid die we ‘het leven’ noemen.

De afgelopen 9 jaar stond ‘Visie op seks’ online en werd door duizenden mensen gelezen. Dank aan iedereen die me de afgelopen jaren schreef met feedback, dankbaarheid en complimenten. Op veler verzoek kun je vanaf nu het boek als E-book kopen in mijn webshop. Een printversie is onderweg!

Hier is alvast een voorproefje. Veel plezier met Hoofdstuk 1!

Hoofdstuk 1 – Het continuüm

Jean Liedloff introduceerde de term ‘continuüm’ in haar boek ‘The continuüm concept’.‘Het continuüm’ zou je kunnen omschrijven als: ‘De massieve, collectieve beweging van de evolutie in alles wat leeft.’ Het is de onderstroom die onze behoeftes en ons gedrag bepaalt, bewust dan wel onbewust. Het continuüm is dat wat ons draagt, dat waarbinnen we ons veilig en geborgen weten. Het is diep verbonden is met wie we werkelijk zijn, met waar we vandaan komen.
Miljoenen jaren ontwikkeling hebben ons gemaakt tot wat we zijn: wezens met een ziel en een lichaam, waarmee we kunnen overleven in een omgeving waar we ons thuis voelen. Het continuüm bepaalt ons natuurlijke gedrag, de manier waarop we ons voortplanten, de manier waarop we onszelf in leven houden, de manier waarop we contact maken, de manier waarop we reageren en de onbewuste consequenties die we verbinden aan onze acties en de dingen die ons overkomen. Het bepaalt ook of we ons gelukkig of ongelukkig voelen.
Het boek van Liedloff beschrijft op sublieme wijze welke gevolgen het heeft voor individu en maatschappij als de meest basale behoefte van een baby: aanraking, niet bevredigd wordt.
De Vliegende Hollanders
Toen ik zwanger was van mijn dochter woonde ik in een dorp in Noorwegen. Nergens in de verre omtrek vonden we een vroedvrouw of dokter die bereid was ons te helpen met een thuisbevalling, dus we moesten naar het ziekenhuis. De weeën begonnen in alle vroegte, thuis in mijn warme bed. Ik had helemaal geen zin om te gaan, maar het moest. Met tegenzin hees ik me in de auto, het was een half uur rijden.
Halverwege de rit braken de vliezen, de persweeën begonnen en ik riep: ‘Stop de auto!’ 
Mijn man deed bezorgd wat ik vroeg, ik klom uit de auto en ging gehurkt langs de weg zitten. De spits was inmiddels begonnen, maar dat kon me geen moer schelen. Mijn man wel.
‘Wat doe je?’, zei hij. ‘Straks beval je nog hier!’ 
Dat was precies wat ik van plan was. De auto was veel te klein, ik kon geen kant op. Met veel overredingskracht en onder zachte dwang hielp mijn man me weer de auto in. Even later waren we bij het ziekenhuis. We liepen de receptie in. Om de paar meter greep ik me voorovergebogen aan mijn man vast om de volgende wee op te vangen. Een stuk of wat gealarmeerde verpleegsters kwamen met een brancard aanrennen om me naar de kraamafdeling te rijden. 
‘Dat hoeft niet’, zei ik, ‘ik loop liever zelf.’
Toen de liftdeuren opengingen zag ik mezelf weerspiegeld in de levensgrote spiegelwand tegenover me. Daar stond ik, wijdbeens, met een enorme buik, mijn haar alle kanten op en een blik zo krachtig, die had ik nog nooit eerder gezien bij mezelf. 
‘Wauw’, zei ik tegen mijn man. ‘Moet je mij zien.’
Het was nog maar een klein stukje van de lift naar de kraamafdeling. We liepen naar binnen, ik had een wee en een verpleegster zei behulpzaam: 
‘Kom maar, ga hier maar liggen’ en wees naar een bed. 
‘Niks liggen’, zei ik. ‘Ik wil een baarkruk.’ 
Terwijl zij op zoek ging naar een baarkruk leunde ik voorover, mijn armen steunend op een commode. Bij de volgende wee werd mijn dochter geboren. Mijn man ving haar op en samen gingen we zitten. Hij legde mijn dochter in mijn armen en pakte ons in met een dekentje. Ik keek naar haar. Haar huid was donker, haar ogen bruin en haar haar pikzwart. Ik keek op naar mijn man om te zeggen hoe mooi ze was, en zag toen pas dat er zo’n vijftien verpleegsters om ons heen stonden. 
‘Zo’n snelle bevalling hebben we nog nooit meegemaakt’, zeiden ze. 
‘Ik ook niet’, zei ik.
De verpleegster kwam terug met de baarkruk. Die was inmiddels niet meer nodig. 
‘Wil je een prik, zodat de nageboorte er sneller uit komt?’, vroeg ze. 
‘Nee’, zei ik. 
Ze begon aan de navelstreng te sjorren. 
‘Blijf af’, zei ik. De nageboorte kwam vanzelf, mijn man knipte de navelstreng door en de verpleegster zei: 
‘Geef de baby maar hier, dan zullen we haar eens goed wassen.’ 
‘Over mijn lijk’, snauwde ik naar haar en geschrokken deed ze een stap achteruit. Mijn man werkte vriendelijk doch beslist alle verpleegsters de deur uit. Eindelijk rust.
Na een uur besloten we dat het tijd was om naar huis te gaan. We konden haast niet wachten om onze zoon zijn nieuwe zusje te laten zien. Ik nam een douche, mijn man ruimde wat op, onze slapende dochter in het dekentje gewikkeld in zijn armen, en even later liepen we gedrieën naar de receptie, de baby in mijn armen, zijn arm om mijn middel. 
‘We gaan’, zei ik, ‘bedankt voor de goede zorgen.’
Wat?’, zei de receptioniste. ‘Dat kan zomaar niet. Dit is zeer ongebruikelijk. Wilt U even hier wachten?’ 
Nerveus belde ze haar supervisor, die onmiddellijk naar de receptie kwam. 
‘U kunt niet zomaar weggaan’, zei deze. ‘De moeder wordt geacht drie dagen in het ziekenhuis te blijven om te herstellen van de bevalling en het kind moet nog een aantal onderzoeken ondergaan. En U moet nog de papieren ondertekenen.’ 
‘Geef maar hier die papieren’, zei ik, ‘maar ik blijf niet en die onderzoeken kunnen later ook nog.’ 
‘Dit is hoogst ongebruikelijk’, zei de supervisor boos en verdween.
 Even later kwam ze terug met de dienstdoende arts, een knappe man in een witte jas. Deze gaf ons vriendelijk een hand en feliciteerde ons met de geboorte van onze dochter. 
‘Wanneer U naar huis wilt kunnen we U uiteraard niet tegenhouden’, zei hij, ‘we hebben wel vaker te maken met mensen als U. Wanneer dit echter kwalijke gevolgen heeft voor U of Uw baby zijn wij niet verantwoordelijk. De consequenties zijn voor U. Ben ik duidelijk?’ 
We knikten. 
‘Eén ding: we willen U dringend verzoeken het hielprikje wel te laten doen voor U weggaat, omdat we daarmee een levensbedreigende ziekte testen waaraan Uw baby binnen 48 uur kan komen te overlijden.’
Nu had mijn zoon ook een hielprikje gehad: de kraamverzorgster kwam bij ons thuis toen hij een dag of drie was, prikte met een naaldje in zijn hieltje, hij gaf één piep, er kwam één druppel bloed en klaar. Dus we gingen akkoord.
‘Volgt U maar’, zei de dokter. 
We liepen door de gangen van het ziekenhuis naar de afdeling Bloedonderzoek. Onderweg kwam ik vrouwen in witte nachtjaponnen tegen die met doffe blik een plastic bak op wieltjes voor zich uit duwden. Het leken net spoken. 
‘Wat is er met hun gebeurd?’, vroeg ik. 
‘O, die zijn net bevallen’, zei de dokter, ‘net als U. Maar zij zijn verstandig. Zij blijven wel.’ 
Ik begreep dat hun babies in die plastic bakjes lagen. Wie had ze aangepraat dat ze hun kind zelf niet konden dragen?
Bij de afdeling Bloedonderzoek verdween de dokter. Een verpleegster zei: 
‘Geef maar hier, het is zo gebeurd.’ 
‘Nee’, zei ik, ‘ik ga mee.’ 
‘We zorgen er goed voor hoor’, zei de verpleegster sarcastisch, en maakte aanstalten om mijn dochter over te nemen. Ik deed een stap achteruit en zei: 
‘Of ik ga mee, of het gebeurt niet.’ 
De verpleegster keek me gelaten aan. 
‘Ga dan maar mee’, zei ze. ‘Maar Uw man niet.’
 Ik liep achter haar aan naar een ruimte vol metalen commodes en instrumenten. 
‘Nu moet U haar toch echt loslaten’, zei de verpleegster. 
Terwijl de tranen over mijn wangen liepen gaf ik mijn dochter aan haar. Deze werd wakker toen de verpleegster haar op één van de koude tafels legde en begon te huilen. Onverstoorbaar stak de verpleegster een naald in haar hieltje die groter was dan haar voet en begon te knijpen. Zowel mijn dochter als ik begonnen harder te huilen. 
‘Geen bloed’, zei de verpleegster verstoord, ‘ik moet nog een keer prikken.’ 
Mijn dochter begon te krijsen toen ze voor de tweede keer een naald in haar kleine voetje stak en bleef dat doen gedurende de twee minuten dat de verpleegster drie buisjes bloed uit haar voetje perste. Toen ze eindelijk klaar was en ik mijn dochter terugkreeg, die onmiddellijk in slaap viel, zei ze: 
‘Als U hier was gebleven had het ook morgen gekund.’
 Huilend kwam ik bij de receptie, waar mijn man op ons stond te wachten. 
‘Wat is er gebeurd?’, zei hij bezorgd. 
‘Haal me hier weg’, huilde ik, en vertelde wat er gebeurd was. Hij omhelsde me, onze dochter op mijn buik tussen ons in, en zei: 
‘Nog heel even, we moeten de papieren nog ondertekenen. De dokter komt zo.’ 
Na twintig minuten kwam de dokter. 
‘Ah, de Vliegende Hollanders’, zei hij. ‘Het hele ziekenhuis praat over jullie! Als U hier maar wilt tekenen.’
Verder lezen?

 

Delen:

One Reply to “Visie op seks”

Geef een reactie