Antoine en Louis

 

Er waren eens twee broers. Ze heetten Antoine en Louis. Ze waren altijd met elkaar aan het wedijveren en maakten ruzie om niks. Ze woonden in een vruchtbare, groene vallei in een ver, ver land. Op een dag sloten de broers een nieuwe weddenschap af. Dit keer zetten ze hoger in dan ooit: wie werd de beste dokter ter wereld? Met een stevige handdruk werd de weddenschap bezegeld. De broers gingen meteen aan de slag.

Antoine trok de wijde wereld in. Hij ging in de leer bij genezers, kruidenvrouwtjes en zigeuners. Hij wilde de oorzaak van ziekte achterhalen. Als hij die zou vinden, zou hij de sleutel tot genezing in handen hebben en de weddenschap met zijn broer winnen. Louis had een andere strategie. Hij sloot zich op in zijn kantoor en deed zijn uiterste best om iets te verzinnen waarmee hij de mensen ervan kon overtuigen dat hij de beste dokter ter wereld was.

Op zijn lange reis leerde Antoine dat de oorzaak van ziekte te vinden was in het water, de lucht en de aarde. Mensen maakten deel uit van de natuur. Als iemand ziek werd, was het zaak om de balans te herstellen door het lichaam en de omgeving te reinigen en te voeden. Hij leerde vele geneesmethoden en was zeer opgetogen. Niet alleen zou hij de weddenschap met zijn broer winnen, maar zijn hart zong bij de gedachte hoeveel mensen hij zou kunnen helpen. Hij had het hart van een echte genezer.

Ondertussen zat Louis ook niet stil. Hij smeedde een snood plan: hij verzon een onzichtbare vijand. Hij wist dat de meeste mensen zo goedgelovig waren dat ze een spannend verhaal meteen voor zoete koek zouden aannemen. Hij lachte om de geruchten die over zijn broer de ronde deden. Hij was ervan overtuigd dat de mensen niet bereid zouden zijn om hun gewoontes op te geven, zelfs niet om te genezen. Mensen waren dom en lui, vond hij. Nee, zijn aanpak was veel beter. Hij had een wondermiddel bedacht waartegen niemand bestand zou zijn.

De dag brak aan waarop Louis en Antoine hun bevindingen met het volk zouden delen. Iedereen kwam naar het marktplein en de broers vertelden om de beurt wat ze ontdekt hadden. Antoine mocht eerst. Hij hield een prachtig betoog over alles wat hij op zijn reis geleerd had. De mensen keken zuur toen hij zei dat ze moesten stoppen met hoeren en sloeren en in harmonie met de natuur moesten gaan leven. Ze geloofden er niets van toen hij zei dat dat het mooiste was wat er bestond.
‘Boeeeh!’ riepen ze. ‘Wij moeten helemaal niks!’

Toen was Louis aan de beurt. Allereerst kondigde hij aan dat wanneer ze op hem zouden stemmen, het bier vanaf dat moment gratis zou zijn. Hij kreeg een staande ovatie. Toen zei hij: ‘Mensen, luister! Ik heb de oorzaak van ziekte ontdekt! Het is een geniepig rotbeestje dat zo klein is dat het onzichtbaar is. Ik noem het beestje Virus! Maar wanhoop niet, want ik weet hoe we het virus kunnen verslaan: met een spuit! Dat is alles. Met één spuit ben je voor altijd beschermd tegen deze onzichtbare vijand en word je nooit meer ziek!’

Antoine keek zijn broer verbijsterd aan. Hij wist dat Louis niet te vertrouwen was, maar hij had hem nog nooit zo vreselijk horen liegen als nu.
‘Hij liegt!’ riep hij tegen het volk. ‘Luister niet naar hem!’

Maar het was al te laat. Het volk koos massaal voor Louis, die ter plekke werd uitgeroepen tot beste dokter van de wereld. Grote vaten bier werden aangerold, terwijl Antoine werd bekogeld met rotte eieren en tomaten. Hij moest de prachtige groene vallei waar hij opgegroeid was terstond verlaten. Met pijn in zijn hart nam hij afscheid. Hij was een man van zijn woord.

In de vallei brak een korte periode van uitzinnige vreugde aan. Iedereen haalde een spuitje en daarna vierden ze hun nieuwverworven gezondheid door dagenlang te feesten met gratis bier. Na een paar weken ging iedereen met tegenzin weer over tot de orde van de dag. Het land moest bewerkt. Het leven ging door. Toen gebeurde er iets onvoorstelbaars. In een klein dorpje werd iemand ziek. En toen nog iemand. En tot ieders ontzetting verspreidde een ernstige ziekte zich door de vallei, sneller dan ooit tevoren. Mensen stierven bij bosjes. Het spuitje bleek niet te helpen. Hoe kon dat nou?

Dokter Louis werd ter verantwoording geroepen.
‘Waarom worden er zo veel mensen ziek?’ riep het volk. ‘Waarom werkt jouw spuit niet?’
Louis was hier natuurlijk op voorbereid. Hij wist dat het volk een zondebok zocht, en wie leende zich daar nou beter voor dan Antoine?
‘De spuit werkt wel!’ riep Louis. ‘Het komt door mijn broer! Voor hij wegging, heeft hij mensen het hoofd op hol gebracht met zijn indianenverhalen! Daardoor heeft niet iedereen de spuit gehaald en heeft het virus kunnen overleven! Maar vanaf nu zullen we met harde hand ingrijpen, voor de veiligheid van het volk! Iedereen die geen spuit heeft gehad zal uit de vallei verdreven worden. Daarmee zullen we ook ziekte uit de vallei verdrijven!’

Iedereen was blij met deze kordate oplossing. Men sprak schande van Antoine. De opluchting was echter van korte duur. De sfeer in de vallei werd grimmiger dan ooit. Mensen werden uit hun huizen gesleurd en gedwongen te vertrekken. Uiteindelijk was er niemand meer over die geen spuit had gehaald, maar toch bleven de mensen maar ziek worden en sterven. Het leek wel alsof het erger werd, in plaats van beter.
‘Dat komt omdat jullie niet genoeg spuiten hebben gehad!’ riep Louis. ‘Voortschrijdend inzicht! Vanaf nu krijgt iedereen iedere zes maanden een spuit. Het virus is nog gevaarlijker geworden dan voorheen! Wij zijn in oorlog met het virus!’

Nou, de schrik zat er goed in bij het volk. De mensen werden steeds banger.
‘Jullie kunnen maar beter allemaal binnen blijven’, zei dokter Louis. ‘Binnen zijn minder virussen dan buiten. Buiten is het levensgevaarlijk. Mensen die naar buiten gaan, brengen zichzelf en anderen in gevaar!’
Vergeten waren de oude volkswijsheden dat schoon water, frisse lucht en in het bos wandelen de gezondheid bevorderde. Vergeten was de oude kennis dat genegenheid, aanraking en samenzijn essentieel waren voor het welzijn van de mens. Mensen sloten zich op in hun huizen en vergrendelden hun deuren en ramen, niet eens meer wetend waar ze nou precies bang voor waren.

Het eens zo vruchtbare land werd niet meer bewerkt. Langzaam maar zeker ontstond een zeer trieste situatie. Mensen werden bang voor elkaar. Mensen werden bang voor de natuur. Kinderen mochten niet meer buiten spelen. Baby’s kregen meteen na de geboorte hun eerste spuit, want de kindersterfte was hoger dan ooit tevoren. Twintig jaar later was er niets meer over van de eens zo prachtige, groene vallei. Ze was veranderd in een verlaten woestenij. Weinig mensen hadden deze vreselijke periode overleefd. Er werden geen kinderen meer geboren. Spookachtige, gemaskerde schimmen haastten zich door de verlaten straten, gehuld in beschermende pakken. Het was een vallei van de dood geworden.

Ook Louis werd oud en gebrekkig, maar pas toen hij op zijn sterfbed lag, kreeg hij spijt. Hij riep zijn dochter bij zich, de enige van vijf kinderen die nog leefde. Ze kwam aarzelend op de rand van zijn bed zitten. Zo dichtbij haar vader was ze nog nooit geweest. Hij pakte haar hand. Ze verstijfde van schrik, want haar vader raakte haar nooit aan. Toch trok ze haar hand niet weg. Hij keek haar niet aan, maar sprak met gebroken stem, terwijl hij haar hand stevig vasthield:
‘Mijn lieve dochter, ik heb gelogen. Ik heb tegen iedereen gelogen. Twintig jaar geleden had ik een weddenschap met mijn broer Antoine, jouw oom, die je nooit ontmoet hebt. We hadden gewed wie de beste dokter ter wereld zou worden. Ik dacht dat ik de weddenschap gewonnen had, maar ik besef nu dat ik hem verloren heb. Ik heb de hele vallei in het verderf gestort. Ik schaam me diep. Vergeef me, alsjeblieft.’

De dochter was geschokt.
‘Wat heb je gedaan, vader?’ zei ze. ‘Als dit waar is, dan heb je mijn leven afgepakt. Ik ben nooit buiten geweest en nu zeg je dat dat voor niets was. Ik had met andere kinderen kunnen spelen, in plaats van ze te mijden uit angst om besmet te raken. Ik had in de rivier kunnen zwemmen. Ik had in de regen kunnen lopen. Ik had de bomen aan kunnen raken. Ik had de lente kunnen ruiken. Ik had bloemen kunnen plukken. Ik had jongens kunnen zoenen! Ik had niet voortdurend in angst hoeven leven.’

Lang was het stil. Toen zei ze met zachte stem: ‘Hoe kan ik je ooit vergeven, vader?’
Tranen stroomden over het gezicht van haar vader. Het volle gewicht van wat hij gedaan had, drong op dat moment tot hem door. Het perste het laatste restje leven uit hem. Met zijn laatste adem zei hij: ‘Maar jij hebt nooit een spuit gekregen. Daar heb ik voor gezorgd.’
Toen stierf hij.

Diepbedroefd pakte het meisje haar spullen en verliet de zieltogende vallei, waar bijna geen levende ziel meer te vinden was. Ze wist wat haar te doen stond, al was ze doodsbang. Ze wilde haar oom vinden. Misschien zou ze het niet overleven, maar dit was ook geen leven, besloot ze. Vastberaden liep ze richting het westen. Ze had ooit gefluisterde verhalen van de dienstbodes opgevangen, over een verborgen groene vallei waar nog koeien graasden, waar nog vogels vlogen en waar mensen nog lachten.

Na weken van zwerven, waar ze soms de wanhoop nabij was, werd het steeds groener om haar heen. Hoop gloorde in haar hart. Ze zag bomen, dieren en bloemen die ze nog nooit eerder gezien had. Ze plukte verse appels en had nog nooit zoiets verrukkelijks geproefd. Al snel kreeg ze een dorpje in het oog. Het was een groepje eenvoudige hutten met rieten daken, waar rook uit de schoorstenen kringelde. Ze liep het dorpje binnen. Voor het eerst van haar leven zag ze kinderen buiten spelen. Even sloeg de angst haar om het hart, maar toen herinnerde ze zich dat er helemaal geen virus was. De kinderen lachten en zwaaiden naar haar. Ze zagen er blakend van gezondheid uit. Ze zwaaide verlegen terug. Even verderop waren andere kinderen aan het zwemmen in de rivier. Hun vrolijke gelach klonk haar als muziek in de oren. Ze vroeg zich af of ze ooit zou leren zwemmen.

Het dorp bruiste van het leven. Ze zag de schoonheid, blijdschap en pure vreugde van hoe het leven ook kon zijn. Ze huilde van spijt en verdriet over haar verloren jeugd, maar ook van opluchting dat ze deze nieuwe wereld gevonden had. Als vanzelf vond ze haar weg naar het ronde hoofdgebouw in het midden van het dorp. Het was net iets groter dan de andere gebouwen. De deuren stonden open. Toen ze aarzelend naar binnen liep, zag ze een grote, brede man met een vriendelijk gezicht en grijs haar aan een eikenhouten tafel zitten. Ze wist meteen dat dit haar oom was. Er zat een groepje kinderen om hem heen. Hij was een verhaal aan het vertellen en ze hingen aan zijn lippen. Hij merkte haar op en maakte een uitnodigend gebaar. Voor het eerst van haar leven schoof ze aan op een bankje met drie andere kinderen. Het was het mooiste moment van haar jonge leven.

Ze luisterde naar hoe haar oom vertelde over lang vervlogen tijden, toen hij in een andere vallei woonde en door zijn broer verdreven werd omdat deze zijn ongelijk niet wilde toegeven. Ze bespeurde geen enkele bitterheid in zijn stem. Hij besloot zijn verhaal met de woorden: ‘Spreek altijd de waarheid, kinderen, want de waarheid maakt je vrij.’
Het meisje was diep geraakt. Ze wachtte tot de andere kinderen naar buiten gerend waren en ze alleen met haar oom was. Hij keek haar vriendelijk aan en wachtte geduldig, terwijl ze naar woorden zocht.
‘Ik ben de dochter van dokter Louis’, zei ze. ‘Oh pardon, ik bedoel … ik weet nog niet zo lang dat hij geen dokter was.’
Ze durfde haar oom bijna niet aan te kijken. Toen het stil bleef en ze toch voorzichtig op keek, zag ze dat haar oom tranen in zijn ogen had.
‘Ik ben zo blij dat je ons gevonden hebt’, zei hij. ‘Wat is je naam?’
‘Cecile’, zei het meisje.
Antoine nam Cecile in zijn armen. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich thuis. Ze had nog nooit zo’n warmte en geborgenheid gevoeld. In het huis waar ze was opgegroeid, raakte niemand elkaar aan.

‘Kun je mijn vader vergeven?’ zei ze uiteindelijk. Ze moest het vragen.
‘Hij heeft alles toegegeven op zijn sterfbed. Hij heeft onze vallei kapotgemaakt. Bijna iedereen is dood. Maar alsjeblieft, vergeef hem. Mijn vader had oprecht spijt. Hij is gestorven van verdriet.’
‘Ja’, zei Antoine. ‘Ik heb hem al lang geleden vergeven. En ik heb op je gewacht. Kom bij ons wonen.’

Aldus geschiedde. Cecile ging in de vallei van Antoine wonen. Voor het eerst van haar leven was ze gelukkig. Met een grote groep mensen reisden ze terug naar de vallei van de dood, waar ze de overgebleven mensen en dieren redden en meenamen naar de groene vallei. Binnen drie maanden was iedereen weer gezond, dankzij de geneeswijzen van de beste dokter ter wereld. Cecile werd een uitmuntende zwemster. Iedere dag was ze in de rivier te vinden, schaterend van plezier.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

Sanne Burger
sanneburger.com

Foto: mamabee.com

Gebaseerd op ware gebeurtenissen.

Delen:

10 antwoorden naar “Antoine en Louis”

  1. Wat een mooi verhaal! En die groene vallei? Die is om ons heen, alleen de meesten hebben moeite door de rommel en ellende heen te kijken en zien het niet… Blijf volhouden, opruimen, informeren en het wordt ooit weer groener dan groen (en dan bedoel ik uiteraard niet door die klimaatidioterie).

Geef een reactie