We hebben altijd nog vijgen

 

Vandaag moet ik echt boodschappen doen. Er is alleen nog maar brood en pindakaas. En zongerijpte vijgen uit de tuin. Heerlijk, daar kan ik best nog een poosje op leven, overweeg ik. Ik heb echt geen zin, ik stel het nu al dagen uit. Het is gewoon te warm.
En belangrijker nog, ik wil geen mondkapje op. In Spanje draag ik in het openbaar meestal wél een mondkapje. Niet op straat, dan heb ik hem om mijn pols, maar wel in de winkel. Dat is omdat ik de taal niet voldoende beheers. Nee, dat is niet waar. Het is omdat ik niet durf zonder, want hier ben ik echt de enige.

Met tegenzin stap ik in de auto en rij ik de 20 minuten naar de dichtstbijzijnde supermarkt. Als ik geparkeerd heb, blijf ik nog even zitten om moed te verzamelen. Een vrouw komt voor mijn open raam staan en begint in rap Spaans tegen me te praten. Het is een wat oudere, mollige vrouw met een lief gezicht en een verlegen blik. Ze houdt haar hand op. Dat is tenminste duidelijk.
Mijn Spaans is summier, maar ik doe mijn uiterste best om haar verhaal te begrijpen. Ze is werkster. Normaal maakt ze schoon bij toeristen, maar nu zijn er al heel lang geen toeristen meer. Ze wil wel werken, maar ze kan niet. Ze heeft een gezin te onderhouden, maar geen inkomen meer. Geen geld om eten te kopen. Ik voel dat ze de waarheid spreekt. Wat moet ik haar geven? Alles wat ik geef is te weinig. Ik geef haar een briefje van 10 en ze kijkt me aan met een mengeling van blijdschap, verbazing en wantrouwen.
‘Dat is teveel!’ zegt ze. ‘Nee’, zeg ik. ‘Het is te weinig.’
Of tenminste, dat probeer ik te zeggen. Volgens mij snapt ze me wel, want ze drukt mijn hand, bedankt me en loopt weg.

Ik slaak een diepe zucht. De tranen zitten nu al hoog. Kom op Sanne, je kunt het. Mondkapje op en naar de winkel. De karretjes staan bij de ingang. Naast de deur zit een ineengedoken grijze man te bedelen, verscholen achter een capuchon en een mondkapje dat bijna zijn hele gezicht bedekt. Au. Ik pak een karretje en besluit hem straks geld te geven, als ik de euro van het karretje terugkrijg. Best slim om hier te gaan zitten, bedenk ik. Zo krijgt hij vast veel euros.

In de winkel is het lekker koel. De sfeer is gelaten. Iedereen draagt mondkapjes en dan heb je vanzelf geen contact meer. Mijn minieme protest is dat ik het mondkapje onder mijn neus heb. Zo kan ik in ieder geval ademen en val ik toch niet op. Niet dat het ook maar iemand lijkt te boeien. Het is verontrustend stil. Die mondkapjes maken ook dat mensen geen zin meer hebben om te praten.
Ik ga in de rij staan voor de kassa. Mijn oog valt op een vrouw die met een paar boodschappen in haar armen verdwaasd om zich heen staat te kijken. Ze weet duidelijk niet wat ze moet doen. Het is een klein vrouwtje, een Spaans moeke, met een veel te groot mondkapje op haar gezicht. Dan zie ik dat ze ongegeneerd staat te huilen. Ze is compleet ontredderd. Ze houdt een zak appels en een pakje van iets in haar armen, alsof ze een baby vasthoudt. Ze begint in het Spaans te jammeren. Het is hartverscheurend. Ik versta bijna niets, behalve ‘niňas’ – kinderen. Haar handgebaren zijn wanhopig. Ik denk dat ze zegt: ‘Wat moet ik nou? Waarom helpt niemand me? Ik moet eten kopen voor mijn kinderen, maar ik kan het niet betalen. Wat moet ik nou doen?’ Of misschien zegt ze: ‘Ik ben in de war. Waar ben ik? Wat doe ik hier? Ik weet niet meer wat ik hier kwam doen. Waarom helpt niemand me?’
Iedereen in de rij blijft volharden in gelatenheid. Ze kijken haar stoïcijns aan of negeren haar volkomen. Ik weet ook niet wat ik moet doen, maar de tranen stromen over mijn wangen. Ik huil in stilte. Wat is er met haar aan de hand? Is ze haar inkomen kwijt en moet ze nu bedelen, of is ze gevaccineerd en gek geworden? Is wat ik nu zie de toekomst? Gaat dit meer gebeuren? Gekken en zombies? Dit zijn geen goede gedachten. Ik voel mijn borst samentrekken van verdriet.
Dan roept de kassière iets en opent de rij zich aan de voorkant, zodat het Spaanse moeke voorrang krijgt. Ze legt haar spullen op de band en telt de muntjes in haar hand. Betaalt de man vóór haar nu voor haar, of heeft ze zelf genoeg? Of krijgt ze het gratis? Ik kan het niet zien, maar in ieder geval stopt ze met huilen, murmelt ze nog wat en loopt ze de winkel uit.

Buiten zit de grijze man nog steeds naast de deur. Oja, hij ook nog. Straks, eerst de boodschappen. Ik leg mijn boodschappen in de auto, me bijna schuldig voelend over al het heerlijks dat ik heb gekocht en waar ik wel geld voor heb. Ik pak een paar losse euros die ik altijd in de auto heb liggen, zodat ik hem straks wat meer kan geven dan 1 euro. Als ik mijn karretje terug probeer te zetten lukt het niet. Hij zit klem en ik krijg die euro er niet uit. ‘Neenee’, zegt/gebaart de man. Ik versta hem niet vanachter zijn mondkapje, weet niet eens of hij Spaans spreekt, maar het is duidelijk wat hij bedoelt.
‘Die rij doet het niet! Je moet de andere rij hebben!’ Hij is natuurlijk bang dat hij zijn euro misloopt. Wel, fuck die ene euro. Ik laat het karretje staan en geef hem de paar klamme euros die ik al een paar minuten in mijn hand had. Hij prevelt een automatisch bedankje. Ik weet niet waarom, maar ik wil oogcontact met hem, dus ik pak zijn handen. Hij kijkt omhoog. Grote, grijsblauwe zeeën van ogen. Onpeilbare poelen van verdriet. Au. ‘Het spijt me’, zeg ik. ‘I am sorry. Lo siento. Me culpa.’ Hij kan er duidelijk niks mee, dus ik laat hem los en loop terug naar de auto. Nu ben ik ontredderd. Wat gebeurt er met deze wereld?

Ik ga voorlopig geen boodschappen meer doen. Als het eten op is, hebben we altijd nog vijgen. Voorlopig.

Sanne Burger
sanneburger.com

Delen:

Geef een reactie